| Uitgebreide geschiedenis | Geschiedenis van de stevenaak | Geschiedenis van de 'Egberdina' | Schepen van ijzer? |
|
De stevenaak is een type zeilschip welke slechts gedurende een korte periode is gebouwd. Het was een van de eerste types ijzeren zeilschepen die werden gebouwd. En ze zijn alleen maar tussen 1872 en 1885 gebouwd. Er zijn een aantal ontwikkelingen die dit verklaren:
De internationale vrachtvaart op de Rijn werd rond 1850 - 1860 vooral verzorgd door houten zeilschepen en door sleepschepen welke door stoomboten werden gesleept. De zeilschepen waren vooral de Dorstense aak en het Dorstense schip. Deze schepen waren dè houten zeilende rijnaken van de periode 1840 tot 1890. Een gebruikelijke grootte was circa 32 meter met een laadvermogen van rond de 250 ton. Ook waren er enkele grotere, tot wel 500 ton. Zij werden vooral gebouwd in het plaatsje Dorsten in Duitsland. In Nederland ontwikkelde zich rond 1860 een variant van het Dorstense schip: de houten stevenaak. Deze zouden onder andere gebouwd zijn in Kinderdijk en Lekkerland.
Daarnaast waren er voor de vaart op de Rijn sleepschepen, gebouwd van hout en van ijzer. Tussen 1840 en 1849 werden er al 86 ijzeren sleepschepen voor de internationale Rijnvaart gebouwd. Deze schepen hadden soms afmetingen van 55 meter of meer. De sleepvaart was een van de eerste sectoren waar schaalvergroting van groot belang was. Een stoomsleepboot kon namelijk veel makkelijker één schip van 500 ton slepen dan twee van 250 ton.
Rond 1815 was de stoom-sleepvaart schoorvoetend op gang gekomen. De zeilvaart werd niet direct verdrukt door de sleepvaart, maar kon heel goed bestaan naast de stoomsleepboten. Sterker nog: er was sprake van een symbiose tussen de zeil- en de stoomvaart, ook de zeilschepen lieten zich namelijk regelmatig "naar boven" slepen. Op termijn zou de stoomvaart de zeilvaart gaan verdringen. Zeilschepen werden echter nog tot in de jaren twintig van onze eeuw gebouwd. De grootte van de Rijn-sleepschepen was onpraktisch op andere binnenwateren. Hiervoor bleken kleinere zeilschepen nog lange tijd geschikt.

![]()
Na de Frans-Duitse oorlog (1870 / 1871) ontstond in Duitsland een stormachtige ontwikkeling van industrie en handel. De handel met Duitsland nam enorm toe en de scheepsbouw profiteerde hiervan. Vanaf 1870 nam tevens de scheepsbouw in ijzer een grote vlucht. Eerst werden alleen sleepschepen van ijzer gebouwd maar vanaf 1872 werden ook de eerste ijzeren zeilschepen gebouwd. De eerste ijzeren zeilschepen voor de rijnvaart waren de stevenaken en stevenschepen.
Aanvankelijk stonden vele schippers nogal sceptisch tegenover ijzeren schepen, maar geleidelijk zag men toch de voordelen hiervan. Duurzaamheid, waterdichtheid en sterkte bleken belangrijke economische motieven te zijn.
De lading van de Rijnschepen bestond in die tijd vooral uit erts en graan wat naar Duitsland werd vervoerd, en ijzerprodukten, kolen en briketten de rivier af naar Nederland. In die periode waren Rotterdam en Antwerpen de aanvoerhavens voor het achterland. Hierdoor kwamen de schepen regelmatig op de Zuidhollandse en Zeeuwse stromen. Hier bleken de houten schepen minder te voldoen dan de ijzeren schepen. Graan vereiste een dicht schip wat niet lekte en houten schepen lekten altijd en beetje. Erts en kolen waren wrede lading voor houten schepen in de deining van de Zeeuwse zeegaten.
Het gebruik van ijzer zou ook
een nieuwe ontwikkeling van scheepsvormen met zich meenemen, want
ijzer had andere beperkingen dan hout. De eerste ijzeren zeilschepen
waren echter vooral nagebouwde houten schepen. De ijzeren stevenaak
was een logische opvolger van het Dorstense schip en de Nederlandse
houten stevenaak. Een belangrijk verschil tussen stevenaken van
hout en van ijzer was dat de kim (de hoek tussen het vlak en de
zijkant van het schip) bij houten schepen een knik was, en bij
ijzeren schepen rond verliep.
De overgang van hout naar ijzer ging zeer geleidelijk. Sommige
onderdelen van ijzeren schepen werden nog lang van hout gemaakt.
Na de eeuwwisseling zijn er vrijwel geen houten binnenschepen
meer gebouwd.
De ijzeren stevenaak werd in korte tijd een populair zeilschip op de Rijn. Door hun sterk geknepen achterschip en hun scherpe kop waren de stevenaken snelle schepen welke goed tegen de stroom in de rivier op konden zeilen. Dat in Nederland de wind overwegend uit westelijke richtingen komt speelt daarbij natuurlijk een belangrijke rol. Men had stroom tegen maar ook gelijk wind mee.
Tegelijk met de ontwikkeling
van de ijzeren stevenaken ontwikkelden zich stevenklippers en
klippers.
Stevenklippers hadden de voorkant van een stevenaak, met een doosvormige
steven. Achter hadden deze schepen boven water een klippervorm
met een overhangend hek en een doorgestoken roer. Een dergelijke
achterkant werd ook gebouwd voor de grotere sleepschepen. Onder
water leek de stevenklipper nog sterk op de stevenaak.
Zo rond 1880 ging men de voorsteven van de aken naar voren toe
om buigen. Ook liet men de huidplaten steeds meer uitwaaieren.
De 'Egberdina'
vertoont ook al die gebogen
voorsteven en een licht uitwaaieren van de huidplaten naast de
boeg.

![]()
Bij de klippers was de doosvormige
steven vervangen door een stafsteven welke s-vormig was gebogen.
Ook waaierde bij een klipper de huid naast de steven sterk naar
buiten uit.
Het is aannemelijk dat de klipper met zijn staafsteven is afgeleid
van de stevenklipper. Voor deze ontwikkeling van de typische binnenvaartklipper
is de invloed van de zeevaart echter ook van belang geweest. In
Kinderdijk en Lekkerkerk werden in de jaren zeventig van de vorige
eeuw ook ijzeren klippers voor de zeevaart gebouwd. In deze buurt
werden ook de eerste rivierklippers gebouwd. Klippers werden gebouwd
tot ca 1928.
Eigenlijk blijkt uit de weinige werfarchieven die nog bewaard zijn gebleven dat deze drie typen schepen door elkaar gebouwd werden in de periode van 1872 tot 1885 . Stevenklippers en stevenaken werden afwisselend gebouwd. Na 1875 worden er ook regelmatig klippers gebouwd.
Merkwaardig is het dat de stevenaak
na 1885 nauwelijks meer is gebouwd. Hiervoor zijn misschien de
volgende redenen aan te geven.
Allereerst was de bewerkelijke doossteven constructief niet meer
nodig, o.a. door verbeterde klink-technieken. Een staafsteven
was dan veel goedkoper toe te passen.
Een andere belangrijke economische reden was dat de klipper bij
eenzelfde lengte als een stevenaak al gauw 15 tot 25 % meer vracht
mee kon nemen.
De snelheid van de stevenaak werd minder belangrijk door een sterke
toename van de stoomdiensten op de rivieren. In de Rijnvaart werd
de schaalvergroting steeds belangrijker door de sleepvaart. Kleinere
schepen waren minder geschikt als sleepschip. De kleinere stevenaken
en klippers moesten meer en meer ingezet worden voor de vaart
in andere delen van Nederland. Zij voeren ook naar Delfzijl of
Alphen aan de Rijn.
| Uitgebreide geschiedenis | Geschiedenis van de stevenaak | Geschiedenis van de 'Egberdina' | Schepen van ijzer? |
|
relatiemarketing - teambuilding - jubileum - produktpresentatie - vergaderen - feesten - verjaardag - trouwen - personeelsuitje
© - Wouter van Dusseldorp / e-mail: wouter@egberdina.nl / januari 2001 / www.egberdina.nl