| Uitgebreide geschiedenis | Geschiedenis van de stevenaak | Geschiedenis van de 'Egberdina' | Schepen van ijzer? |
|
Historisch onderzoek naar de
geschiedenis van de stevenaak 'Egberdina'
viel niet mee. Veel van de werven waar stevenaken gebouwd zijn
lagen in Ridderkerk, Dordrecht en Lekkerkerk. Tijdens de watersnood
van 1952 zijn de archieven van deze werven veelal verloren gegaan.
Zo er al archieven waren. De schepen werden rond 1880 namelijk
op het oog gebouwd, zonder tekeningen. Bovendien was men niet
erg strikt in de naamgeving: een stevenaak kon in de overdrachtpapieren
vermeld staan als rijnaak, aakschip of soms zelfs als klipperaak.
Het eerste onderzoek loopt in principe via het kadaster. Voor hypothecaire leningen moest een schip in het kadaster staan ingeschreven. Het kadaster houdt hiermee dus de geschiedenis van het schip bij, met een lijst van opeenvolgende eigenaren. Vanaf 1905 moesten alle vrachtschepen bij het kadaster staan ingeschreven. In 1929 werden alle schepen opnieuw verplicht zich bij het kadaster in te schrijven.
Uit archiefonderzoek van het kadaster bleek de 'Egberdina' voor de eerste keer in het kadaster genoteerd te zijn op 16 oktober 1905. Het schip heette toen 'Alberdine', was groot 132 ton en kreeg het brandmerk "568 Sneek 1905". Het schip stond toen geregistreerd als een 'ijzeren aak-schip'. We mogen uit de omschrijving aannemen dat de "Alberdine" hier nog een paviljoen-stevenaak is. De woonruimte bevindt zich onder het verhoogde achterdek, het zgn. paviljoen.
De eerstvolgende keer dat we de 'Alberdine' tegenkomen is op 3 juli 1929. Het is een aanvraag voor een nieuwe teboekstelling door Hendrik de Groot Kzn. De omschrijving van het schip is nu:
" . . . motoraakschip genaamd Alberdine, gebouwd bij Rotterdam, metende 122,863 ton, gebouwd van staal, hebbende 1 dek en 1 mast, een vooronder / een laadruim / een achteronder met roef en een machienekamer waarin een 30 - 35 P.k. Grade motor is geplaatst, met stuurhuis over het dek wordende het schip mechanisch voortbewogen door een schroef, bestemd voor de rivier en binnenvaart, liggende te Foxhol . . . ."
De 'Alberdine' is in 1929 dus
al geheel gemotoriseerd. En voor die tijd heel modern: een motor
in de machienekamer en een stuurhut boven het achterdek. In deze
tijd voeren de meeste voormalige zeilschepen nog met een opduwer
erachter, of met een zijschroef waarbij de motor op het voordek
stond en een lange schroefas langs het schip liep.
Wel is er een deel van de vrachtruimte voor opgegeven: het schip
kon ca 10 ton minder laden. Dit komt doordat de woning van de
schipper machienekamer geworden is, en er voor de schipper een
nieuwe roef is geplaatst. Deze roef hangt deels in het laadruim.
Daarnaast speelt natuurlijk ook het gewicht van de motor een rol.
Op
12 juli 1929 wordt de "NV Deventer IJzergieterij en Machiene-fabriek
voorheen J.L. Nering Bögel en Co" te Deventer de nieuwe
eigenaar van de 'Alberdine'. Deze machinefabriek houdt het schip
tot 27 maart 1930.
Deze ontwikkeling lijkt erop te duiden dat Hendrik de Groot zijn
schuld aan de machienefabriek niet heeft kunnen voldoen, en het
schip in handen van de schuldeiser is overgegaan. Dit is bekend
van meer schippers welke vroeg investeerden in de motorisering
van hun schip en dan aan het begin van de crisis in de financiële
problemen raakten. Waarschijnlijk vond de motorisering dan ook
kort voor 1929 plaats.
De koper is in 1930 Harmen Dirk
Kruidhof, schipper te Dordrecht. De "NV Deventer IJzergieterij
en Machienefabriek voorheen J.L. Nering Bögel en Co"
te Deventer blijft middels een hypotheek schuldeiser voor een
bedrag van Fl. 10.850,-.
Harmen Dirk Kruidhof verkoopt het schip na ruim 9 jaar op 14 juni
1939. Hierna volgen kort op elkaar verschillende eigenaren, waaronder
een aantal "handelaren in schepen".
In 1941 koopt Kornelis van der
Werf, schipper te Bierum, de 'Alberdine'. Waarschijnlijk kwam
hij Fl. 2.400,- tekort, wat blijkt uit een hypotheek van zijn
vader Dirk van der Werf. Hij geeft het schip in 1945 de naam "Albatros"
en hij houdt het schip onder deze naam tot januari 1988. In het
"Rijnschepenregister" van 1951 komen we de 'Albatros'
dan ook tegen. Hier staat bij de bouwwerf een vraagteken, terwijl
als motorvermogen 20 Pk wordt opgegeven.
Kornelis van der Werf heeft het schip zijn leven lang gehouden.
Tot 1986 voer hij er jaarlijks mee in de suikerbietencampagne
van de Wieringermeer naar Groningen. In 1988 overleed hij op 71
jarige leeftijd in zijn thuishaven Delfzijl.

![]()
Kornelis van der Werf onderhield zijn schip prima. Toen vlak na de oorlog het "vlak", het onderwaterschip, door slijtage slechter werd nam hij geen halve maatregelen: het hele vlak en de kimmen werden tot de waterlijn vernieuwd. Dit nieuwe stalen vlak werd op ouderwetse wijze aan de spanten geklonken. Ook de roef werd verbouwd, evenals de stuurhut, welke van "het beste hout dat er is" gemaakt werd. Het hele schip was geteerd, het beste behoud voor een ijzeren schip. De teer is zover in het ijzer gedrongen dat bij slijpwerkzaamheden 3 mm dik nog steeds teerresten worden gevonden.
Zijn zoon Dirk van der Werf is geboren aan boord van de 'Albatros', en heeft er vele reizen op meegevaren. Hij vaart nog altijd in de binnenvaart, nu op de kempenaar 'Albatros 5'. Zijn eerste vraag is hoe het schip zeilt, want het is "zo scherp als een scheermes". Zelf heeft hij de zeiltijd niet meegemaakt, hij werd geboren in 1947. Hij kan zich wel een korte laadmast met een giek herinneren, waaraan op het IJsselmeer wel eens een slingerzeil werd gehesen. Maar de 'Albatros' was toen al lang een motorschip.
Kornelis Van der Werf voer met de 'Albatros' door heel Nederland, naar Duitsland, maar ook naar België en Frankrijk. Zo werd er gevaren met turfbalen en met grote ladingen vlas. Dit vlas was zo licht dat het in hoge deklasten op de luikenkap werd gestapeld. Er kon dan alleen nog gestuurd worden vanaf het dak van de stuurhut. Met vlas werd gevaren van b.v. de Noordoostpolder of de Wieringermeer naar Roesselaer en de Leye in België. Daarnaast werden in het najaar suikerbieten vervoerd van de Wieringermeer naar Groningen. Ook werd er gevaren met kolen en ertsen, van Amsterdam naar Delfzijl, maar ook wel uit Rotterdam de Rijn op.
Een enkele zomer werd het schip ingezet om mosselen van de Waddenzee naar de Oosterschelde te brengen. Binnen 36 uur moest de lading weer overboord worden gezet in de Oosterschelde omdat anders de mosselen dood gingen. Voor deze lading bleek de 'Albatros' zeer geschikt: slechts weinig schepen konden in die tijd zo snel deze afstand afleggen. Het schip voer in die tijd met een Glockner Deutz van 83 PK.
De bouwwerf van de Egberdina is ook bij Dirk van der Werf niet bekend. Hij weet dat zijn moeder hiernaar gezocht heeft, maar zonder resultaat. Wel is de naam van "Giessen de Noord" genoemd. In ieder geval was 1882 het bouwjaar. In het boek "Binnenvaartschepen" wordt bij de 'Albatros' Kinderdijk vermeld als herkomst.
Dan koopt in 1988 Joop Baayens met zijn vrouw Gaby de 'Albatros'. Zij pakken het drastisch aan en brengen het schip weer in de staat waarin het nu verkeert. Zij zijn de eersten in de zeilende chartervaart die een schip inrichten alleen voor de dagtochten. Op dat moment varen er enkel schepen met slaapaccommodatie in de chartervaart. De dagtochtenmarkt staat nog in haar kinderschoenen. Zij kiezen voor een nieuwe naam, naar de moeder van Joop Baayens: de 'Egberdina'.
Joop Baayens is scheepstimmerman én schipper. Het warme iroko-hout krijgt onder zijn handen een heel bijzondere uitstraling. Doordat hij het schip voor zichzelf bouwt kan hij veel energie in het timmerwerk stoppen. De massieve paneelbetimmering roept een sfeer op die eerder doet denken aan een klassiek zeiljacht dan aan een traditioneel vrachtschip.
De tuigage wordt getekend door Theo Dokman van TD-Sails. Het schip wordt getuigd als een klassiek jacht: er komt zoveel zeil op te staan dat het bij windkracht 5 moet reven (= het zeil kleiner maken). In vergelijking met andere charterschepen schepen voert de Egberdina veel zeil. Daarom is de overige tuigage (stagen, mast e.d.) extra zwaar uitgevoerd.
De
inrichting van de 'Egberdina' wordt in de volgende jaren verder
bijgeschaafd en aangepast aan de wensen van de gasten. Het silhouet
van de stevenaak anno 1882 blijft echter behouden: een schitterend
schip met een grote salon onderdeks, en een kleine roef achterop,
een schip dat er van buiten uitziet zoals het in 1882 rondvoer.
Wel worden er bovendeks aanpassingen gedaan voor het comfort:
er wordt een kuip met zitplaatsen gerealiseerd, en het dek wordt
met teak-hout bekleed.
Sinds april 1996 is de 'Egberdina' van Wouter van Dusseldorp en zijn partner Greetje de Vries.
| Uitgebreide geschiedenis | Geschiedenis van de stevenaak | Geschiedenis van de 'Egberdina' | Schepen van ijzer? |
|
relatiemarketing - teambuilding - jubileum - produktpresentatie - vergaderen - feesten - verjaardag - trouwen - personeelsuitje
© - Wouter van Dusseldorp / e-mail: wouter@egberdina.nl / januari 2001 /www.egberdina.nl